Ons Korea

Onderwijsprogramma Alles Tonen / Ges / De Koreaanse oorlog / Ten noorden van de 38ste breedtegraad

Ten noorden van de 38ste breedtegraad

Zuid Korea

Generaal MacArthur ging er vanaf het begin al vanuit dat hoe dieper de Noord-Koreaanse eenheden in Zuid-Korea doordrongen, hoe kwetsbaarder hun aanvoerlijnen werden. Uiteindelijk maakte dat dat ze ontvankelijker voor een amfibische aanval in hun flank werden die de krijgskansen moest keren. Hij, en zijn staf, begonnen eigenlijk gelijk na het begin van de vijandelijkheden te werken aan een dergelijk plan. De voorkeur lag bij de stad Inchon, een zeehaven halverwege de westkust. Het lag slechts 30 kilometer van de hoofdstad Seoel en daar kwamen veel hoofdwegen en spoorweglijnen bij elkaar. Een snelle amfibische landing zou gevolgd moeten worden door een rappe opmars landinwaarts die de Noord-Koreaanse aanvoerlijnen af moest snijden. Tevens zou een herovering van de hoofdstad Seoel een flinke opsteker zijn voor het moreel van zowel de bevolking als de eigen troepen.

Tegelijkertijd moest het 8e leger in het zuiden een noordwaartse aanval beginnen. Door de amfibische aanval zouden de Noord-Koreanen klem komen te zitten tussen beide legers en gedwongen zijn via de moeizamere oostelijke routes te ontsnappen. Ondanks de enorme behoefte aan troepen en materiaal voor het 8e leger was MacArthur in staat om een landingseenheid samen te stellen van twee divisies. Er werd een hoofdkwartier geformeerd voor dit nieuwe 10e korps onder generaal-majoor Edward M. Almond. Deze maakte er werk van om de uitgedunde 7e infanteriedivisie weer op sterkte te brengen. Hij gaf de hoogste prioriteit aan vervangingstroepen om deze divisie te versterken. Daarnaast werden 8.600 Zuid-Koreaanse rekruten, meestal slecht getraind, ook geplaatst in deze divisie. Deze laatste maatregel was een onderdeel van een groter programma om meer Zuid-Koreanen in de Amerikaanse eenheden toe te laten, omdat er nog steeds niet genoeg Amerikaanse vervangingstroepen beschikbaar waren. Tegelijkertijd wist generaal Almond het grootste gedeelte van de Amerikaanse 1ste Mariniersdivisie beschikbaar te krijgen voor het 10ekorps. Dus dit aanvalskorps bestond inmiddels uit deze twee Amerikaanse divisies en de ROK 17e divisie, aangevuld met ROK-mariniersbataljons.

Velen beschouwden het Inchonplan als onnodig risicovol. Marineofficieren dachten dat de extreme getijden van de Gele Zee en de nauwe zeestraten naar Inchon makkelijk te blokkeren zouden zijn door zeemijnen. En dus een serieus gevaar voor de schepen die de landingseenheden moesten vervoeren. Ook voorzagen zij problemen om te landen op een zwaar bebouwde kust met hoge zeewallen. Het Amerikaanse opperbevel in Washington verwachtte ook zware consequenties als de Inchonaanval zou mislukken. Mede omdat generaal MacArthur zijn laatste intacte eenheden aan deze aanval verbond. Het aantal reserveeenheden in de Verenigde Staten was nagenoeg uitgeput. Eigenlijk was de enige grote eenheid die nog niet was ingezet de Amerikaanse 82ste luchtlandingsdivisie. Het leger was wel begonnen aan een groot uitbreidingsprogramma, maar voordat dit getrainde en inzetbare eenheden zou opleveren was het al 1951. In het licht van al deze onzekerheden was het besluit van generaal MacArthur een opmerkelijke gok. Maar als dit zou lukken, tenslotte telt alleen het resultaat, dan was dit een operatie die getuigde van een enorme brutaliteit.

De 1ste Amerikaanse mariniersdivisie opende de aanval op Inchon op 15 september en ontmoette slechts lichte tegenstand. Ondanks de toenemende weerstand wist het 10e korps volledig aan land te komen en rukte gestadig op in de volgende twee weken. Een deel van het korps zwaaide naar het zuiden en veroverde Suwon, terwijl het restant van het korps het Kimpovliegveld veroverde en de rivier de Han overstaken. Zij vochten hun weg naar Seoel, zodat generaal MacArthur, met een dramatische ceremonie, de hoofdstad teruggaf aan de Zuid-Koreaanse president Singhman Ree op 29 september.

Ondertussen viel het 8ste leger, onder leiding van generaal Walker, de Noord-Koreanen aan vanuit de Pusan Perimeter op 16 september. Deze eenheden rukten maar zeer langzaam op. Maar op 23 september ging het beter, want het werd de Noord-Koreanen duidelijk wat de landing bij Inchon en de zware frontale aanval vanuit Pusan ging opleveren. De Noord-Koreaanse verdediging klapte in elkaar. In een rap tempo rukte het 8ste leger op en vond op 26 september aansluiting bij het 10e korps. Ongeveer 30.000 Noord-Koreaanse soldaten wisten te ontsnappen tot boven de 38ste breedtegraad door de oostelijke bergen. Een paar duizend Noord-Koreaanse soldaten werden door de VN-opmars verrast en ingehaald. Deze soldaten verstopten zich in de bergen van Zuid-Korea om als guerrilla’s verder te vechten. Uiteindelijk, aan het einde van september, hield het Noord-Koreaanse aanvalsleger op te bestaan als een georganiseerde eenheid in Zuid-Korea.