Ons Korea

Onderwijsprogramma Alles Tonen / Ges / De Koreaanse oorlog / De onbeweeglijke oorlog

De onbeweeglijke oorlog

Zuid Korea

Door een aantal onofficiële contacten via George F. Kennan, een prominent Amerikaanse diplomaat, en Jacob Malik, een Sovjet diplomaat bij de Verenigde Naties, op 23 juni 1951, werd er een aankondiging gedaan via een VN-radioprogramma dat de Sovjet-Unie geloofde dat de oorlog in Korea geregeld moest worden met onderhandelingen. De Chinezen bekrachtigden dit voorstel via Radio Bejing. President Truman gaf generaal Ridgeway toestemming om wapenstilstandgesprekken te voeren met zijn communistische tegenhangers. Via radiocontact werden beide partijen het eens om op 10 juli de onderhandelingen te starten in de plaats Gaeseong. Overigens in het gebied dat in handen was van de communisten.

In de eerste contacten werd overeengekomen dat de vijandelijkheden gewoon door zouden gaan totdat de wapenstilstand getekend was. Op 26 juli hadden beide partijen vastgesteld welke zaken geregeld en besproken moesten worden om tot een wapenstilstand te komen. Maar China, die de Verenigde Staten toch aan de onderhandelingstafel hadden gedwongen, was zich heel bewust van de relatieve zwakheid van de VN-troepen en de wankele publieke opinie. Ze wilden hun nieuwe imago van militaire grootmacht niet ondermijnen met onderhandelingen. In de nacht van 22 op 23 augustus claimden de Chinezen dat een VN-vliegtuig de locatie van de onderhandelingen had aangevallen. Hangende het onderzoek hierna braken ze de onderhandelingen af.

Ondertussen had generaal Van Fleet, in de laatste weken van juli, besloten een aantal aanvallen te doen om een zone van 5 tot 10 kilometer buiten de verdedigingslinie Kansas vrij te maken. Dit had drie doelen: de vijandelijke troepen onder druk houden, inlichtingen te verzamelen en de offensieve mentaliteit van het 8e leger op peil houden. Van augustus tot september vocht het 10e korps en het 1e ROK-korps een serie bloedige gevechten in centraal en Oost-Korea. De Chinese en Noord-Koreaanse verdedigers vochten venijnig om posities als de Bloody Ridge en Heartbreak Ridge te behouden. In west en centraal Korea gingen het 1e en 9e korps in oktober in de aanval om nieuwe posities te verwerven. Generaal Van Fleet plande opvolgende acties, maar de zware verliezen van de VN-troepen overtuigden generaal Ridgeway niet van het nut. Hij stelde de aanvallen uit en uiteindelijk werden ze afgelast.

De wapenstilstandonderhandelingen gingen op 25 oktober weer verder. Deze keer in Panmunjom, een klein dorpje ten zuidoosten van Gaeseong. De hoop op een snelle wapenstilstand groeide op 27 november. De twee partijen besloten dat de scheidingslijn(demarcatielijn) voor een wapenstilstand de huidige frontposities moesten zijn. Vooropgesteld dat de partijen binnen dertig dagen verdere overeenstemming zouden bereiken. Terwijl er druk onderhandeld werd, ging het vechten gewoon door in die laatste weken van 1951. Agressieve patrouilles, raids en kleine felle slagen om buitenposten in bezit te krijgen die vooral in het niemandsland lagen.

Al op 12 november had generaal Ridgeway de opdracht gegeven aan het 8e leger om een tactiek van actieve defensie te voeren. Ze gingen dus de hoofdlinie aanzienlijk versterken en een versterkte vooruitgeschoven linie inrichten. Van hieruit werden de patrouilles en de snelle acties gedaan. Ondersteund door sterke artillerie om zoveel mogelijk slachtoffers te maken onder de vijandelijk troepen. Generaal Van Fleet mocht nog wel verloren posities heroveren, maar mocht beslist niet zonder toestemming van generaal Ridgeway grotere aanvalsoperaties opzetten.

De dertig dagen om tot overeenstemming te komen voor een wapenstilstand werden verziekt door meningsverschillen over het uitwisselen van krijgsgevangen. In januari 1952 kreeg dit nog een staartje. De VN-afvaardiging deed het voorstel om krijgsgevangen de keus te geven naar welk land ze werden gerepatrieerd na de wapenstilstand. Duizenden Noord-Koreaanse krijgsgevangen, gemaakt door de VN troepen, zijn Zuid-Koreanen die gedwongen waren, in 1950, mee te vechten in het Noord-Koreaanse leger. Ook waren er duizenden Chinese krijgsgevangen, voormalige nationalistische soldaten in de Chinese burgeroorlog. Zij waren ook gedwongen te vechten in het Chinese leger. De meesten van deze mannen hadden geen behoefte om terug te keren naar het communistische China of Noord-Korea. Dit zou natuurlijk een dramatische propagandaoverwinning zijn voor de VN. Amerikaanse politici herinnerden zich het brute optreden van Stalin na de Tweede Wereldoorlog naar eigen Sovjet-soldaten die krijgsgevangen waren gemaakt door de Duitsers. Deze soldaten waren oa. door de Verenigde Staten naar de Sovjet-Unie gerepatrieerd. En hun lot was een zeer wrede behandeling bij thuiskomst. Dus de VN vond dat de repatriëring van de vermeende Chinese en Noord-Koreaanse krijgsgevangen een morele keus van henzelf was. Deze keus moest op basis van vrijwilligheid gemaakt worden. De communistische afvaardiging protesteerde hevig en claimde dat dit een schending was van de conventie van Genève uit 1949. Hierdoor ontstond een patstelling die de onderhandelingen tot stilstand brachten tot in 1953. De communisten begonnen in mei 1952 opnieuw over krijgsgevangenen te klagen. Het ging over Noord-Koreaanse en Chinese krijgsgevangen in het VN-krijgsgevangenenkamp Geojedo in de Geoje provincie. Deze krijgsgevangen, in opdracht van Noord-Korea, lokten de Amerikaanse kampcommandant in het kamp en namen hem gevangen. Nu ze de commandant gijzelden hadden ze ook een aantal eisen. De tactiek was duidelijk. Het leven van de commandant moest geruild worden tegen de bevestiging van de VN dat de Noord-Koreaanse en Chinese krijgsgevangenen slecht behandeld werden en bloot stonden aan marteling. En dat de krijgsgevangen, die weigerden gerepatrieerd te worden naar Noord-Korea of China, dit deden onder druk van de VN. Het was duidelijk dat ze hiermee de vrijwillige repatriatie van krijgsgevangenen zoals dat door de VN werd voorgestaan in diskrediet wilden brengen. Ondertussen werd de gegijzelde commandant bevrijd door Amerikaanse soldaten. Hij had inmiddels onder dwang bekentenissen getekend dat er af en toe sprake was geweest van mishandelingen en moordpartijen door VN-troepen. Helemaal onwaar was het niet, want er waren genoeg gewelddadige incidenten geweest in het slecht gebouwde en geleide kamp. De Noord-Koreanen gebruikten de bekentenis in Panmunjom, tijdens de onderhandelingen, en ook in andere gevallen als propaganda in hun voordeel.

Tijdens het Geojedo incident verliet generaal Ridgeway Tokio om generaal Eisenhower te vervangen als hoogste NAVO-commandant. De vervanger van generaal Ridgeway was generaal Mark W. Clark. Generaal Clark werd de commandant voor het Verre Oosten met één zorg minder dan zijn voorgangers. Op 28 april 1952 ging een verdrag met Japan in waarmee de Amerikaanse bezetting eindigde en de zelfstandigheid van Japan als staat werd hersteld. Gelijk geconfronteerd met de Koje-do affaire probeerde generaal Clark de bekentenis van de kampcommandant te ontkrachten. Hij stelde ook een nieuwe commandant voor het krijgsgevangenenkamp aan. Namelijk brigade-generaal Haydon L. Boatner die lang gediend had in China en de taal ook sprak. Deze zorgde gelijk voor aanpassingen in het kamp. De krijgsgevangenen werden in kleinere kampen ondergebracht en er werden maatregelen genomen die opstanden, zoals het Koje-do incident, de kop in moesten drukken. Tegelijkertijd pakte hij de opstandige krijgsgevangenen hard aan door domweg tanks en infanterie in te zetten en in juni was elke vorm van verzet verdwenen.

In de Verenigde Staten groeide de weerstand tegen de oorlog en dat zorgde er weer voor dat het 8e leger zo min mogelijk eigen slachtoffers wilde hebben. Generaal Van Fleet pleitte voor een flinke uitbreiding van het ROK-leger. Veel van zijn tijd stak hij in het aanpakken de zwakheden, zoals in de strijd was gebleken, van het ROK-leger. Namelijk onvoldoende training van de manschappen en het slechte niveau van het leiderschap. Het aantal Amerikaanse eenheden bleef gedurende de oorlog (tot na de wapenstilstand) gelijk terwijl de ROK-eenheden in aantal en vooral in kwaliteit toenamen. Dat maakte dat de Amerikaanse eenheden vaker in de reserve konden blijven voor langere perioden en daardoor minder verliezen leden.

Tevens werden Amerikaanse commandanten beperkt in het doen van aanvallen. Zelfs de meest beperkte aanvallen konden tot hoge verliezen aan eigen zijde leiden. Om dit te compenseren, om de druk op de tegenstander te houden, werden er door de luchtmacht veelvuldig aanvallen gedaan. Deze viel doelen aan in heel Noord-Korea. Met grote overmacht werden de bevoorradingsroutes aangevallen. Toch slaagden deze aanvallen er niet in om de toevoer van grote hoeveelheden Russische artillerie te stoppen. Zowel het Noord-Koreaanse leger als het Chinese leger hadden aan het einde van 1952 grote hoeveelheden geschut opgesteld om eventuele aanvallen of doorbraken van het VN-leger in de kiem te smoren.

Ze gebruikten deze wapens in combinatie met de bereidheid om zelf grote verliezen te leiden om ook een soort ‘vleesmolen’ tactieken te gebruiken door regelmatig vooruitgeschoven VN-posten aan te vallen. Deze gevechten gingen vaak om heuveltoppen die de VN-troepen bijnamen gaven zoals Old Baldy, The Hook, White Horse en Reno. Dit waren maar kleine gevechten in vergelijking met de gevechten in het eerste jaar van de oorlog. Maar de intensiteit van deze gevechten was enorm en misschien wel vergelijkbaar met de manier van vechten uit de Eerste Wereldoorlog. Men maakte gebruik van zware artilleriebeschietingen, stormaanvallen en heftige man-tegen-man gevechten in loopgraven. En tussen deze gevechten door bestookte men elkaar met storingsvuur uit zwaar geschut en snelle agressieve patrouilles om de vijand vooral geen rust te gunnen. Eén van de bekendste plaatsen waar deze vorm van strijd gevoerd werd, was op een heuvel die men Pork Chop Hill noemde. Het was een vooruitgeschoven positie die bezet werd door een compagnie (135 man) in 1952 als onderdeel van de vooruitgeschoven buitenposten van de VN-linie. De bijnaam werd ontleend aan de vreemde vorm die de heuvel had op de stafkaarten. De Pork Chop Hill werd een voorbeeld van het soort gevechten in de laatste achttien maanden van de oorlog.

De Chinese eenheden tegenover deze heuvel lanceerden in 1953 drie grote aanvallen om deze buitenpost te veroveren. De derde aanval, die startte op 6 juli, was verreweg de zwaarste aanval. De 7e Amerikaanse infanteriedivisie stuurde regelmatig versterkingen in vijf dagen om Pork Chop Hill te behouden. Ze werden hierbij gesteund door onwaarschijnlijk veel artillerie. Doordat de Chinezen blijkbaar alles op alles zetten om de buitenpost te veroveren en ze wisten dat een mogelijke wapenstilstand dichtbij was, gaf generaal Taylor de opdracht om de post te ontruimen. Met een knappe misleiding wist de 7einfanteriedivisie zich op 11 juli terug te trekken zonder verdere verliezen.

Terwijl deze strijd om de buitenposten verder ging, had het Amerikaanse leger in 1952 in een soort crisis. Door de wapenstilstandonderhandelingen was het gevoel van directe nood, zoals die er wel was in 1950/51, van de baan. De gebruikelijke vrees dat de hoge militaire uitgaven de Amerikaanse economie zouden beschadigen werd ook minder.

President Truman en het congres gingen de militaire budgetten anders toewijzen. Een groter deel dan ooit ging naar de luchtmacht om de Nucleaire Vergeldingsmacht te versterken. Deze budgetverminderingen en de besluitvorming over de strategie in Korea in combinatie met verminderde mobilisering van reservisten in de Verenigde Staten maakten dat het leger niet meer al zijn verplichtingen in de wereld kon nakomen. Het Amerikaanse leger gaf zijn eerste prioriteit aan het 8e leger in Korea en zijn tweede prioriteit aan het 7eleger in Duitsland. De commandanten van deze legers klaagden steen en been dat hun eenheden onderbemand werden en dat de kwaliteit van de vervanging onder de maat was.In de Verenigde Staten zelf zorgde een mankrachtcrisis, ontstaan doordat een deel van het budget aan een luchtdefensiesysteem was uitgegeven, zodat het opleidingssysteem bijna om zeep werd geholpen. Aan het einde van 1952 was de algemene reserve aan eenheden en mankrachten wederom uitgeput. En weer was de enige parate eenheid die klaar was voor wereldwijde inzet de 82e luchtlandingsdivisie. Terwijl de mankrachtcrisis een slecht effect had op de parate eenheden in het binnen- en buitenland, dwong het de legertop wel om in gesprek te komen met de president om de mogelijkheden te bespreken om een einde te maken aan de crisis en hieruit voortkomend het rassenverschil in het leger. In 1948 had president Truman al opdracht gegeven dat ook de Afro-Amerikaanse bevolking gelijkwaardig in het leger moest worden toegelaten en behandeld. Door de oorlog en de verliezen was het leger hier al voorzichtig aan begonnen met het beperkt toelaten van Afro-Amerikanen in het leger. De commandanten van de actieve eenheden maakte het niet uit wie ze kregen als vervanging. Uiteindelijk begonnen in 1952 de integratieprogramma’s van Afro-Amerikanen serieus vorm te krijgen.

In november 1952 koos het Amerikaanse volk Dwight D. Eisenhower als hun volgende president. Een belangrijk onderdeel van zijn verkiezingscampagne was een eind te maken aan de Koreaanse oorlog. In december bezocht president Eisenhower Korea en daardoor waren de verwachtingen sterk dat er snel een verandering kwam in de oorlog. In oktober al had generaal Clark een voorstel gedaan voor een definitieve overwinning in Korea. De mensen en de materialen om dit te bereiken waren aanzienlijk en niet zomaar voorhanden. Anders dan zijn voorganger was president Eisenhower niet bereid zulke offers te brengen en streefde naar een eervolle wapenstilstand voor alle partijen.

In februari 1953 werd een VN-voorstel gedaan om zieke en gewonde krijgsgevangenen uit te wisselen. Dit werd genegeerd door Noord-Korea. Echter op 5 maart 1953 overleed Stalin in de Sovjet-Unie. Het Sovjet Politbureau wilde toen ook de hoge kosten om de Chinezen en de Noord-Koreanen te bevoorraden stoppen. Zonder de Sovjetvoorraden en hun luchtmacht werden de Noord-Koreanen en de Chinezen een stuk kwetsbaarder voor VN-aanvallen. Uiteindelijk reageerden op 28 maart de communisten op het VN-voorstel en zij opperden voorzichtig dat dit kon leiden tot een regeling voor alle krijgsgevangenen.

Hierdoor gingen de partijen verder met de wapenstilstandonderhandelingen. In dezelfde maand werden de zieke en gewonde krijgsgevangenen uitgewisseld. Op 4 juni heroverwogen de communistische onderhandelaars de zaak omtrent de vrijwillige repatriatie van krijgsgevangenen.

In het voorjaar van 1953 vocht het 8e leger sommige van zijn bloedigste gevechten in de strijd om de buitenposten. De Noord-Koreanen en de Chinezen startten aanvallen op de buitenposten om de aandacht af te leiden van de concessies die hun onderhandelaars hadden gemaakt in Panmunjon. De VN-eenheden verdedigden grimmig hun posities. Echter, hadden ze de opdracht om te wijken als bleek dat de vijand enorme verliezen wilde accepteren met hun aanvallen. Dit was de stemming bij de VN-troepen als het ging om de stijging van eigen verliezen. Dit was ook met het oog op de aanstaande wapenstilstand, waarbij men niet meer enorme verliezen wilde leiden. De tactische voordelen wogen niet meer op tegen de mensenlevens.

De Noord-Koreanen en de Chinezen besteedden veel aandacht aan hun aanvallen op de ROK-eenheden. Op 10 juni vielen ze de vijf ROK-divisies aan in centraal Korea. Stevig in de minderheid moesten de ROK-eenheden wijken. Pas na een gemiddelde terugtrekking van drie kilometer werd de aanval afgeslagen. Dit demonstreerde dat de kwaliteit en slagkracht van de ROK-eenheden flink was verbeterd ten opzicht van de voorgaande jaren.

De VN probeerde de druk van het front af te halen door zware bombardementen op Noord-Korea.

ROK-president Synghman Rhee zorgde voor een probleem door op 18 juni 25.000 Koreaanse krijgsgevangen, velen van Zuid-Koreaanse herkomst die gedwongen waren in het Noord-Koreaanse leger te vechten, vrij te laten. Veel van deze ‘krijgsgevangenen’ weigerden gerepatrieerd te worden naar Noord-Korea. President Rhee was al lang een tegenstander van een wapenstilstand die het Koreaanse schiereiland in tweeën zou delen. Hij had al gedreigd om het ROK-leger onder de controle van de VN uit te halen. Hij was ook bang dat na de wapenstilstand de steun van de Verenigde Staten zou afnemen of zelfs stoppen. En dat de Verenigde Staten al zijn troepen zou terugtrekken. Uiteindelijk krabbelde president Rhee terug toen de Amerikaanse regering voorstelde om een gezamenlijk verdedigingsverdrag te sluiten en te voorzien in aanzienlijke economische en militaire steun.

De Noord-Koreanen waren bijzonder kwaad over de streek met de krijgsgevangenen van president Rhee. Ze besloten om de Zuid-Koreanen een flinke les te leren voordat de wapenstilstand zou worden gesloten. Op 13 juli valt het Noord-Koreaanse en Chinese leger in de Kumsongregio met veel overmacht aan. Ze verpletteren één ROK-divisie en dwingen de overige zich terug te trekken ten zuiden van de Kumsongrivier. Opnieuw laten de prestaties van de ROK-eenheden zien dat hun kwaliteit bijzonder goed is. Generaal Taylor geeft op 16 juli het 2e ROK-korps de opdracht om een tegenaanval te doen met behulp van grootse VN artillerie- en luchtsteun. Op 20 juli al moet de operatie worden stopgezet, omdat de onderhandelaars, voor de wapenstilstand, er bijna uit zijn. Hiermee komt de laatste grote slag van de Koreaanse oorlog tot een einde.

Na een week onderhandelen en oplossen van allerlei administratieve zaken tekenden de hoofden van de onderhandelingspartijen in Panmunjon op 27 juli 1953 om 10.00 uur de wapenstilstand. Later op de dag tekenden de militaire commandanten van alle partijen ook deze wapenstilstand.

Zoals afgesproken in de wapenstilstandovereenkomst stopten alle gevechten twaalf uur na de ondertekening. Zevenendertig maanden vechten hielden op tegen een enorme prijs in mensenlevens.

Zuid-Korea had 187.000 gesneuvelde soldaten te betreuren, ongeveer 30.000 vermisten en 429.000 gewonden. Ook de Zuid-Koreaanse burgers hadden enorm geleden; de schattingen lopen uiteen voor het aantal doden en vermisten tussen de 500.000 tot 1.000.000.

De verliezen van de Noord-Koreanen laten zich lastig inschatten, maar die liggen zeker rond 1.500.000 gesneuvelde en vermiste burgers en soldaten.

De schattingen van de Chinese gesneuvelden en vermisten moet liggen rond de 600.000 tot 800.000 soldaten met een nog veel hoger aantal gewonden.

De verliezen van de VN-troepen bedroegen 3.063 (niet Amerikaanse) doden en vermisten. Met nog eens 11.817 gewonden. De Amerikanen hadden 139.880 doden en vermisten met daarnaast nog eens 103.284 gewonden

De prijs in mensenlevens en schade aan het Koreaanse land zijn niet te onderschatten. De invloed van deze korte, brute oorlog speelt op dit moment in Korea, in het dagelijkse leven, nog altijd een zichtbare rol.