Ons Korea

Onderwijsprogramma Alles Tonen / Eco / Economische ontwikkeling in vogelvlucht / Jaren 60

Jaren 60

Zuid Korea

Zou Noord-Korea Zuid-Korea niet kunnen zien als intern verdeeld en zwak land. Een uitnodiging om nogmaals binnen te vallen? Om aan de opgelopen spanningen een einde te maken, stuurde generaal Park Chung-hee in mei 1961 tanks de straten op om de studenten te verdrijven. Het leger nam de macht over en Park werd president. De nieuwe president had als doel om Zuid-Korea niet afhankelijk te laten zijn van Amerikaanse ontwikkelingshulp. Het land moest krachtig worden en dit kon alleen maar met economische ontwikkeling. Hij wist de Amerikanen te overtuigen van zijn bedoelingen. Hij kreeg de volledige steun van de Amerikanen. Park draagt het kapitalistisch denken en de westerse invloeden een warm hart toe. Hij stichtte een sterk gecentraliseerde democratie. In 1961, het jaar waarin Park aan de macht kwam, verdienden de Zuid-Koreanen gemiddeld 130 dollar. In 1979, het jaar waarin hij is vermoord, was het inkomen gestegen tot 1500 dollar. In slechts 18 jaar tijd is het inkomen per hoofd van de snel groeiende bevolking meer dan 10 maal zo hoog geworden. De Zuid-Koreaanse economie en de inkomens bleven snel doorgroeien tot aan de Aziëcrisis van 1997. Nadat deze was overwonnen, werd het groeitempo weer opgepakt. Aan het eind van de 21ste eeuw was Zuid-Korea volgroeid tot een geïndustrialiseerde natie, onderdeel van de moderne wereld. Van al degenen die een bijdrage hebben geleverd aan de ontwikkeling van Zuid-Korea, was Park Chung-hee de belangrijkste.

Onder Parks bewind werd de economie sterk naar buiten gericht. In eerste instantie werd ingezet om importsubstitutie voor de productie van consumptiegoederen in te stellen. Tegelijk werden hoge importtarieven opgeheven, zodat de productie hoofdzakelijk voor de binnenlandse markt was. Later ging Park meer naar buiten kijken om aansluiting te krijgen met de internationale economie. De regering had veel geld nodig om investeringen in kapitaalgoederen en voorraad te vergroten. Geld werd vooral aangetrokken vanuit Amerika en Japan. De rentevergoedingen werden verhoogd om financiers te krijgen. De hogere rentevergoeding lokten een hoge inflatie uit, maar deze werd ruim gecompenseerd door de grotere economische groei en stijgende lonen. Naast het aantrekken van buitenlands vermogen om te investeren, kreeg Zuid-Korea ook nog een aanzienlijk bedrag van de Amerikanen als ontwikkelingshulp. Het beleid leek te werken, maar bracht ook risico’s met zich mee. Als de economische groei tegenviel, dan zou Zuid-Korea gelijk in betalingsproblemen komen.

De regering in Seoul liet het echter niet zo ver komen. Zij gebruikte de financiële middelen als instrument voor de economische ontwikkeling. Zij benoemde sectoren die waren uitverkoren om snel te groeien. Daartoe werd het onorthodoxe middel gebruikt van negatieve rente: de bedrijven die geld leenden, hoefden geen rente te betalen, maar kregen in feite door die lening nog meer geld. Dit kon natuurlijk niet in een open systeem, want dan zou iedereen onder deze voorwaarde geld willen lenen. De regels golden alleen voor die sectoren die door de overheid waren uitgekozen als speerpunten voor de nieuwe Zuid-Koreaanse economie. Deze werkwijze had resultaat: in enkele jaren kwamen de Zuid-Koreaanse industrieën tot bloei, werknemers kregen hierdoor werk en een hoger inkomen, waardoor de binnenlandse koopkracht steeg die weer een impuls vormde voor andere (binnenlandse) economische activiteiten, enzovoort. Er was dus in het begin sprake van het planmatig aanjagen van bepaalde onderdelen van de economie (Markt socialisme). Deze economische ontwikkelingen genereerde binnenlandse vraag die wel in de context van de marktwerking plaatsvond. Toen de overheid niet meer de sectoren aanwees, kon je spreken van een gemengde economie met vergaande ‘liberale’ marktwerking zoals wij die in Nederland nu ook kennen.

In de jaren 60 kun je spreken van een Zuid-Koreaanse maatschappij die sterk gedisciplineerd was en een sterke sociale cohesie kende. De evenwichtige groei in zowel de industrie als ook de landbouw was vooral het gevolg van investeringen in arbeidsintensieve productie. De regering hanteerde geen minimumloon. De investering was zo massaal dat er bijna geen werkloosheid was. Bovendien waren de arbeiders nog niet goed georganiseerd in vakbonden, zoals wij dit nu kennen. Rond 1970 was de industrie de belangrijkste sector geworden binnen de Zuid-Koreaanse economie. Dit kwam door een verschuiving van plattelandarbeiders door toegenomen arbeidsproductiviteit naar de industriële sector. De hogere productie was het gevolg van meer arbeiders op meer arbeidsplaatsen als gevolg van breedte-investering. Aan het einde van jaren zestig, toen volledige werkgelegenheid bijna werd bereikt, begonnen de lonen sterk te stijgen. Vanaf dan werden de investeringen minder arbeids- en meer kapitaalintensief (diepte investeringen). Er werden steeds geavanceerde productietechnieken gebruikt en de productiviteit nam toe. Dit kwam mede door een uitgebreid scholingsprogramma.